Zeekoorts
door J.J. Slauerhoff

Intro

Ik moet weer op zee gaan, een goed schip en in ’t verschiet

Een ster om op aan te sturen, anders verlang ik niet.

Het rukken van ’t wiel, gekraak van het hout, het zeil er tegen,

Als de dag aanbreekt over grauwe zee, door een mist van regen.

Want de roep van de rollende branding, brekende op de kust,

Dreunt diep in het land in mijn oren en laat mij nergens rust.

’t Is stil hier, ‘k verlang een stormdag, met witte jagende wolken

Hoogopspattend schuim ; meeuwen om kronk’lende kolken.

 

tussenspel

Ik ben een gedoemde zwerver, waar moet ik anders heen?

Maar gelaten door de wind gaan, weg uit de stad van steen.

Geen vrouw, geen haard verwacht mij. Ik blijf ook liever zonder.

‘k Heb genoeg aan een pijp op wacht, en een glas in ’t vooronder.

Herh:     Want de roep van de rollende branding, brekende op de kust,

Dreunt diep in het land in mijn oren en laat mij nergens rust.